****Aandacht aan dichten 1 - Op Joetjoen

> Categorie: Columns Gepubliceerd: zaterdag 08 februari 2014


 

 

 

Op Joetjoen

Over dichten valt veel te vertellen. Daarom ga ik, Crödde van Niessel is mijn dichtersnaam, een serie verhalen wijden aan mijn eigen gevoelens, gedachten en weten over rijmen en dichten. Nu moet ik je wel bekennen dat ik wel weet wat ‘aandacht hebben voor’ inhoudt, maar ik weet nog steeds niet wat dichten is.

Aandacht’ is voor mij ‘het denken aan en over’, ‘het overpeinzen en uitspreken van min of meer stichtelijke overdenkingen’ en ‘een al of niet stoffelijke blijk van waardering: aandenken’.

Dat alles vind ik ook in ‘dichten’ zitten. Het is wel aardig te constateren dat ‘dacht’ en ‘dicht’ in hun ablaut enkel verschillen. De eigenschappen van ‘aandacht’ zijn ruim aanwezig in ‘dichten’.

Moeder, van nature een dichteres, evenals Opoe Preusterink, heeft mij het volgende eens verteld: “Jij zat op het potje. En je deed een grote boodschap: een dikke bruine hoop. Je stond op en je keek in de pot, zag de hoop en je zei: “Héé …, stront … en dat komt uit mijn kont”. Dat was je eerste gedicht”. Ze zal het wel verzonnen hebben, maar ik vatte meteen de elementen die aan dichten ten grondslag liggen: verbazing of verwondering, de dingen bij de naam noemen, denken voelen en direct zeggen. Dat er rijm bijkomt, is meegenomen, maar bijzaak. Ik had ook kunnen zeggen: “Héé …, poep … en dat komt uit mijn poeperd”. Ik vind dat niet zo mooi ‘uitgedrukt’, maar het blijft een aardige dichterlijke zin.

Ik moet een jaar of vier geweest zijn, het is een van mijn eerste bewuste herinneringen, toen ik op de ‘deuze’ zat te poepen. Moeder  stond er bij: “Rust mijn ziel, uw God is Koning, heel de wereld Zijn gebied. Alles wisselt op Zijn wenken, maar Hijzelf verandert niet”. Ik zong dat lied. Mijn moeder bevestigde de waarheid van dit gebeuren. En ze zei erbij: “Ik dacht, die jongen wordt dominee met deze prachtige zware stem!” Ze dacht waarschijnlijk dat ik midden in de verrotting en de stank mijn Godsvertrouwen aan het uitzingen was. Dat was natuurlijk niet zo, maar naar aanleiding van zo’n gebeurtenis is er natuurlijk alle reden om er eens een gedicht aan te wijden. Ik geloof niet dat ik dat ooit gedaan heb. In ieder geval heb ik nu wel zo’n beetje aangegeven wat volgens mij dichten is.

Aandacht voor dichten dus. Ik ben schoolmeester van mijn ‘geloof’, dus mijn benadering van dichten, dichters en gedichten of ‘verzen’ zal niet altijd ‘evenwichtig’ overkomen: ik ben eigenwijs en dominant, de man met het eeuwige opstekende vingertje, dat hij op de balansschaal aan zijn zijde drukt, want hij weet het immers allemaal beter. Nu weet ik het meestal ook beter, maar toch …! Wat het zwaarst is, moet het zwaarst wegen.

Mijn dichtersnaam Crödde van Niessel is niet maar zo gekozen. Ik ben geboren in Deventer, nog geen tweehonderd meter van de IJssel, Niesselt of Niessel, zoals de echte Deventenaar zegt. Ik heb daar dus mijn wortels. Als “Kruid van de IJssel” ben ik daar ‘gewassen’. Daar ik in het begin enkel in het Deventers mijn verzen schreef, koos ik dus een Deventers klinkende naam: Crödde van Niessel.

Aan mijn eigen verzen en rijmelarijen zal ik weinig aandacht besteden, want het gaat hier en in de volgende hoofdstukjes niet om mijn werk, maar om het dichten en rijmen in het algemeen. Wat ik wel zal doen, is het geven van stof tot nadenken over dichtwerk in zijn totaliteit. Natuurlijk zal ik daarbij voorbeelden geven uit het werk van mij bekende taalvirtuozen, want virtuozen zijn het, die dichters en de dichteressen!

Naar ik hoop, heb jij plezier van mijn werk. Je merkt dat ik je persoonlijk en op Engelse ‘jijwijze’ of  ‘joetjoen’ benader, want ik zing als ieder vogeltje zoals ik gebekt ben!

Crödde van Niessel